Test basisvaren zwaardboot

31 maart 2014

Vragen 1 t/m 3

1. Je hebt je boot opgetuigd met een bol grootzeil voor windkracht 2, maar als je op het meer bent aangekomen valt de wind bijna helemaal weg. Je moet:

a. het zeilboller maken door de voorlijkstrekker te laten vieren en het onderlijk te ontspannen
b. het zeil vlakker maken door de voorlijkstrekker aan te trekken en het onderlijk op spanning te zetten.
c. niets doen
d. het zeil vlakker maken door de neerhouder aan te trekken en de onderlijkspanning te verhogen.
 

2.Terwijl je in de eenmansboot plat voor de wind vaart, imiteer je ”de snelle jongens” en laat je de boot hellen naar loef. Maar soms merk je dat de boot heftig begint te rollen, wat meestal eindigt in omslaan. Om dit te voorkomen moet je:

a. de grootschoot verder laten vieren
b. de helling naar loef vergeten en je concentreren om de boot recht op te houden
c. het zwaard verder omhoog halen
d. de schoot aantrekken, je gewicht naar lij verplaatsen en wat oploeven.
 

3. Je vaart hoog aan de wind en er komt een windvlaag in. Wat doe je om daar zoveel mogelijk van te profiteren?

a. je doet niets
b. je loeft op
c. je valt af en gaat even goed hangen
d. je viert je grootzeil
e. je trekt je grootzeil aan
f. zowel b als d zijn juiste antwoorden

Antwoorden op de vragen 1 t/m 3


Copyright 2022 Pean |
Ontwikkeld door Convident